Stirling Bridge 1297
Stirling, de poort naar het
noorden en de sleutel tot deze poort was een smalle houten brug die over
de rivier The Forth heen lag. Deze strategisch belangrijke stad werd
beheerst door een kasteel dat was gebouwd op een hoge rots van
waarop men de hele Forth vallei kon aanzien..
10 September 1297, vanop zijn uitkijkpunt in de Ochil Hills,
kijkt William Wallace toe hoe John de Warenne en zijn leger oprukken
naar het zuiden in de richting van Stirling. de Warenne ontmoet er zijn
adjunct Sir Richard de Waldegrave.

John
de Warenne had een indrukwekkend leger bijeen gebracht, waarvan 1000
eenheden zware cavalerie en 50.000 infantrie. Het Engelse leger was
zonder twijfel het meest ervaren leger hadden in Europa en het
machtigste uit hun tijd. Zij hadden nog geen nederlaag gekend. Het
moreel was hoog, het vertrouwen in eigen kunnen en het leiderschap stond
buiten enge twijfel. De Engelsen beschouwden de Schotten een bende
amateurs. Reden hiervoor was de zwakke prestatie en een totaal gebrek
aan discipline van de Schotten in de slag van Dunbar een paar jaar
voordien. De Schotse leiders waren het oneens en de steun van de nobelen
ontbrak volledig. Vele Schotse nobelen waren ook vleugellam gemaakt:ze
dienden ofwel onder Edward I in Vlaanderen of zij waren opgesloten in
een Londonse kerker.
In tegenstelling tot de Engelsen had William Wallace maar 10.000 mannen
ter beschikking, aangevuld met 6.000 manschappen van Andrew de Moray. De
Schotse cavalerie bestond uit amper 150 paarden. Het voetvolk was licht
bewapend, slecht getraind en ondervoed. Maar zij maakten hun gebrek aan
ervaring goed door hun motivatie en patriotisme. Zij waren die dag
liever bereid om te vechten en te sterven dan nog één enkele dag de
Engelse tirannie te verdragen.
William
Wallace besloot om positie in te nemen aan de overkant van de Forth
rivier, gebruik makend van de hoger gelegen grond op de flanken van de Ochil
Hills. Aldus forceerde hij de Engelsen om heuvelopwaarts te moeten
vechten. Maar vooraleer het zover zou komen had John de Warenne de taak
om zijn leger over de houten brug te loodsen. De oversteekplaatsen nabij
Cambuskenneth Abbey (de abdij) en Kildean waren enkel doorwaadbaar bij
laagtij.
Maar de brug was smal en het verplichtte de ruiters om maximaal met 3
paarden naast elkaar over te steken. Aan de overkant van de brug wachtte
nog meer ellende. De berijdbare weg was niet veel breder dan de breedte
van de brug; de grond eromheen was te zacht en te drassig om zware
cavalerie te kunnen dragen. En eenmaal over de brug betekende dat de
ridders geen snelle ontsnappingsmogelijkheid hadden op dit terrein. Maar
de Engelsen voelden zich op alle vlakken superieur en onaantastbaar
gezien hun reputatie en victories. Wat zouden die paar boerse Schotten
hen kunnen maken ?
Twee, drie dagen vroeger - Enkele van de Schotse nobelen (o.a.
James the Steward en de graaf van Lennox) sloten aan bij John de Warenne
op zijn tocht naar Stirling. De nobelen boden aan om te onderhandelen
met de Schotten om onnodig bloedvergieten te voorkomen. Op
10 september keerden de nobelen terug naar de Warenne met de boodschap
dat Wallace weigerde om zich over te geven. Als bewijs van hun trouw
stelden de nobelen 60 manschappen ter beschikking van de Engelsen.
In de ochtenduren van 11 september keerden the Steward en Lennox
plichtsbewust terug naar het Engelse kamp, doch met amper een fractie
van de mensen die zij beloofd hadden. Hun verhaal was dat er weinige
"rebellen" konden overhaald worden om aan hun zijde te vechten
tegen hun landgenoten.
John
de Warenne was nu wel zeker van een slag gezien de Schotten in stemming
waren voor een gevecht. Vanuit zijn zichtpunt zag hij dat de Schotten de
hogergelegen heuvels ingenomen hadden. Wat hun positie betof waren ze
niet aan te vallen. Het viel de Warenne eveneens op dat het gevaar
bestond dat de Schotten de linkerflank van zijn leger kon avallen als
hij de brug zou oversteken en de weg erachter zou volgen. Hij bemerkte
ook terecht dat de brug voor meer opstoppingen zou zorgen dan voor een
vlotte overtocht. Als hij de Schotten van hun heuvel zou kunnen af
krijgen en hen kon bekampen in de open velden van Cornton, ten noorden
van Stirling. Daar zouden zij een makkelijke prooi vormen voor de
Engelse cavalerie.
Naar goede protocol gewoonte bood John de Warenne aan de Schotten aan
om zich alsnog over te geven vooraleer zij zich in een gevecht zouden
storten. Hiervoor stuurde hij twee Dominicaanse broeders over de brug en
de hoofdweg om het aanbod van de vrede van de koning en de belofte van
vergeving van voorbij daden over te brengen aan William Wallace en
Andrew de Moray.
William
Wallace sloeg het aanbod van John de Warenne neer en stuurde de broeders
terug met een tegenaanbod:
|
'Tell your people that we have not come
here to gain peace, but are prepared for battle, to avenge and
deliver our country. Let them come up when they like, and they
will find us ready to meet them even to their beards.'
'Zeg tegen je mensen dat wij hier niet
gekomen zijn om vrede te winnen, maar dat wij bereid zijn voor
de oorlog, om ons land te wreken en vrij te maken. Laat ze maar
komen, zij zullen ons bereid vinden, zelfs tot in de dood.'
|
De gelaatsuitdrukking van de Engelse bevelhebbers moet boekdelen
gesproken hebben toen zij het verbluffende antwoord van Wallace hoorden.
Er sloop verdeeldheid in het Engelse kamp. Eén groep raadde John de
Warenne aan om de bluf van de rebel te negeren terwijl een tweede groep
aanmaande tot voorzichtigheid. John de Warenne riep in alle haast een
oorlgsraad samen om het probleem op te lossen.
Eén van de ridders die de raad toesprak was Sir
Richard Lundie, een Schot die in de slag om Irvine de zijde van de
Engelsen had gekozen
:
|
'My lords, if we go on to the bridge we are
dead men; for we cannot cross it except two by two, and the
enemy are on our flank, and can come down on us as they will,
all in one front. But there is a ford not far from here, where
we can cross sixty at a time. Let me now therefore have five
hundred knights and a small body of infantry, and we will get
round the enemy on the rear and crush them; and meanwhile you,
my lord Earl, and the others who are with you, will cross the
bridge in perfect safety.'
'Mijne
Edelen, als wij die brug oversteken zijn wij dood. Wij kunnen
maar per twee de brug over en de vijand kan ons raken in de
flank. En komen zullen zij, allen tegelijk. Maar niet ver van
hier kunnen wij de rivier oversteken in ondiep water met 60 man
tegelijk. Geef mij hier en nu 500 ruiters en een kleine groep
infantrie en ik zal rond de stellingen van de vijand trekken en
hem verpletteren. En intussen kunnen jullie, mijne Edelen, de
brug in alle veiligheid oversteken.'
|
De raad sloeg de raad van Lundie in de wind met als voornaamste reden
dat het niet wijs zou zijn om de krachten op te delen. Enkele
edelen steunden echter het voorstel van de overloper en een hevige
discussie ontvlamde tussen alle edelen.
Op dit moment stond Hugh Cressingham op en verhief zijn stem :
|
'There is no point in dragging out
this business any longer, and wasting our King's revenues for
nothing. Let us advance and carry out our duty as we are bound
to do.'
'Het heeft
geen zin om deze zaak nog langer uit te stellen
en het geld van de koning te verspillen. Wij doen onze plicht
zoals het hoort.'
|
John
de Warenne af tegen zijn zin het bevel om met het leger de brug over te
steken en het gevecht aan te gaan met de Schotten.
Het was intussen al halfweg de ochtend en Sir Marmaduke de Thweng was
reeds voor het grote lichaam van het leger opgereden om de noordelijke
perimeter rond het bruggenhoofd veilig te stellen voor de Engelse opmars.
Maar zoals Sir Richard Lundie al eerder had gezegd bleek de brug
inderdaad smal en bood het amper plaats aan twee ruiters die met de
grootste zorg en last zij aan zij konden passeren naar de overkant.
Een halve kilometer verder, op de hellingen van the Ochil Hills,
hadden de Schotten de Engelsen gadegeslagen toen deze de rug aan het
naderen waren. Hun harten moeten in hun borstkassen opgesprongen zijn
van vreugde toen zij zagen dat de Engelse ruiters van plan waren om de
rivier via de houten brug over te steken.
De spanning steeg naarmate meer Engelsen de overtocht deden en de
drassige vlakte vulden. Maar onder het commando van Andrew de Moray en William Wallace,
hield het Schotse kamp de discipline en weerstond het de verleiding om
blind in de aanval te gaan zoals zij gedaan hadden in Dunbar in 1296.
Vanop de top van Abbey Craig overschouwde William Wallace de opmars
van de Engelsen, zorgvuldig het ogenblik uitkiezend dat hij zijn aanval
zou inzetten. Als hij te vroeg zou aanvallen zouden de Schotten een
grotere kans hebben tegen het kleine deel dat de brug al was
overgestoken. Maar het grote deel van de Warenne's leger zou dan nog
steeds intact zijn, en in een positie om alsnog een tegenaanval te
lanceren tegen de Schotten. Als hij zou wachten tot het hele leger de
brug zou overgestoken zijn was zijn leger numeriek met 3 tegen 1 in het
nadeel en waarschijnlijk kansloos.
Om 11 uur gaf William Wallace het teken om aan te vallen door één
hoornsignaal. De Schotten die lang en ongedurig op dit moment hadden
gewacht, chargeerden en masse, met hun speren en zwaarden zwaaiend en
roepend : 'On them! On them! On them!'.
Een
detachment liep weg van de hoofdmacht en stevende af op het
bruggenhoofd. Zij hakten zich een weg naar de brug en lieten op deze
manier de val helemaal dichtklappen. Dit veroorzaakte paniek en een stampede
op de brug omdat de Engelsen plots niet meer vooruit konden op de brug.
Achteraan bleven de ruiters aanschuiven en duwen, ongedurig om zich te
kunnen mengen in het strijdgewoel aan de andere kant van het
bruggenhoofd. Velen vielen of sprongen in de rivier en verdronken,
voornamelijk omdat hun zwaar harnas en uitrusting hen naar beneden
zogen.
De
ridders die trachtten te onsnappen stuurden hun paarden in een zee van
modder. Zij werden gedood door speren. Overlevenden werden vertrappeld
door de aanstormende Schotten. De kracht en de snelheid waamee de
Schotten aanvielen had de Engelsen serieus verrast. Al snel waren zij
verdreven naar de zuidoostelijke kant van de weg in de richting van een
kronkel in de rivier.
De
cavalerie van de Schotten denderde vanuit noordelijke richting richting
Engelsen. Sir Marmaduke
Thweng lanceerde een tegenaaval. Zijn divisie had geen moeite met de
licht bewapende Schotten, doch in plaats van de charge te voltooien,
stopte hij de aanval om de situatie te overschouwen. Onthutst stelde hij
vast dat zowel de kleuren van koning Edward I als van de graaf van
Surrey verdwenen waren, verloren in een zee van lichamen. Tot overmaat
van ramp hadden de Schotten het bruggenhoofd veilig gesteld, zodat een
terugkeer uitgesloten was.
Hij wachtte even alvorens hakkend met zijn zwaard te chargeren in de
richting van de Schotten en het bruggenhoofd. Zo gauw Sir Marmaduke Thweng
en zijn mannen opnieuw de brug over waren gaf hij opdracht om de brug te
vernietigen
Vanop zijn kijkpost op de zuidelijke oever van de rivier keek John de Warenne
met afgrijzen toe hoe het restant van zijn achterhoede opgejaagd en
afgemaakt werd. Hij was veroordeeld om machteloos te moeten toekijken.
Zijn boogschutters zaten immers vast in de achterhoede en bleken van
geen waarde meer. Als zij op zijn kant van de oever hadden gezeten had
hij nog een aanval over het water kunnen inzetten. Tegen 12 uur was de
slag over maar het opruimen zou veel meer tijd in beslag nemen. Met
één enkele slag hadden de Schotten bijna 100 Engelse zwaar geharnaste
ruiters, 5000 infantrie en 300 Welshe boogschutters uitgeschakeld. Een
leger van de "gewone" man dat met discipline en de moed om te
vechten wordt geleid, was in staat om de mythe van de Engelse
onoverwinnelijkheid aan diggelen te slaan.
De verliezen aan Schotse kant waren gering, maar Andrew de Moray was
ernstig gewond geraakt, en bezweek enkele weken later aan de opgelopen
wondes. De dood van Andrew de Moray's death betekende een keerpunt in de
toekomst van William Wallace. De familie van de Moray zou ongetwijfeld
de opstand blijven steunen zijn indien Andrew was blijven leven. Nu zag
men Wallace nog steeds als een gewone man en een bedreiging van hun
feodale macht.
John
de Warenne had genoeg gezien en gaf het order voor een snelle aftocht.
Hij benoemde nog heel vlug Sir William Fitz-Warine als nieuwe
kasteelhouder van Stirling. Hij beloofde om terug te keren binnen de
tien weken. Hij gaf zijn paard de sporen en reed met zijn troep naar
Engeland tot hij zich veilig waande.
Eén keer de uitslag van de slag bekend steunden de zijlijnkijkers James the Steward
en de graaf van Lennox plots wel de Schotse opstand. En om hun aanhang
kracht bij te zetten leidden zij een eenheid van hun eigen vazallen
vanuit een verborgen lokatie in Torwood om het het Engelse leger nog
lastig te maken door de achterblijvers te doden en de goederenkaravaans
te plunderen.
Na de slag ontdeden de Schotten hun opponenten van alle wapens en
uitrusting. Zij stootten ook op het lijk van Hugh Cressingham, de gehate
schatbewaarder van Schotland. De woede was zo groot dat het ontdoen van
zwaard en harnas niet voldoende was voor de Schotten. Zij vilden hem en
verdeelden de huid onder zich.
Ironisch genoeg stuurde the Prince of
Wales, regent tijdens zijn vaders afwezigheid, een delegatie naar John de
Warenne om hem op te dragen in Schotland te blijven tot de Schotse
rebellie neergeslagen zou zijn. de Warenne kreeg de boodschap pas toen
hij 320 kilometer zuidelijker in York was.
Na een korte belegering gaf het garnizoen in Stirling Castle zich al
over, duidelijk niet vertrouwend op de beloofde terugkeer van de
Warenne. Bij de gevangen genomen soldaten was ook Sir William Fitz-Warine
en zijn luitenant Sir
Marmaduke de Thweng. Zij werden opgesloten in Dumbarton Castle en op 7
april 1299 geruild tegen Schotse gevangenen.
William
Wallace legde zich nu verder toe op de schoonmaak van het land en het
breken van de resterende Engelse weerstand. Na een verblijf in en rond
Stirling trok hij richting Dundee om hier hetzelfde te doen. Maar het
nieuws van de Warenne's nederlaag had de stad reeds bereikt en het
Engelse garnizoen verloor alle wil om te vechten en gaf zich zonder
één schermutseling over. Hierbij nam Wallace een enorm aantal wapens,
uitrusting en andere buit in beslag.
Een bijeenkomst van de Raad werd rond deze tijd in Perth gehouden
door de Schotse adel die Wallace wl had gesteund. Hij en Andrew de Moray
werden aangesteld als Guardians of Scotland in naam van koning John Balliol.
Maar tegen 7 november 1297 verdween de naam van Andrew de Moray van alle
officiële dokumenten. Verondersteld wordt dat hij op dit tijdstip
bezweken zou zijn aan zijn opgelopen verwondingen van Stirling.
Zijn opkuis operatie vervolgend, viel Wallace Cupar Castle aan en hij
bezette het ook. Daarbij doodde hij het ganse garnizoen (200 man). De
Engelsen verlieten overal ten lande hun stellingen en trokken zuidwaarts
richting Engeland. De garnizoenen die niet wilden wijken waren gevestigd
in Edinburgh, Dunbar, Roxburgh
and Berwick Doch tegen de derde week van oktober 1297 bevond er zich
geen enkele Engelse soldaat meer op Schotse bodem.
De terugtrekkende Engelsen plunderden, verbrandden boerderijen,
vernietigden gewassen en doodden al het vee op hun weg. De winter stond
voor de deur, Schotland stond voor een harde tijd van hoger en
ontbering.
18 oktober 1297; om de nood van
hongerlijdend Schotland te verzachten maakte hij plannen om Engeland
binnen te vallen. De noordelijke provincies hadden immers voedsel en vee
genoeg en Wallace wou de Engelsen tonen dat Schotland een macht was waar
rekening moest mee gehouden worden. Hij verzamelde het Schots
leger op Roslin Moor en marcheerde naar he zuiden, de rivier Tweed
overstekend richting
Northumberland.
Rond Kerstmis 1297 stak William Wallace opnieuw de Tweed over nadat
hij zonder schroom de noordelijke provincies Durham,
Cumbria en Northumbria had leeggehaald.